Trans pioniers in de pers

door Hanna

Op Delpher, een website van de Koninklijke Bibliotheek, zijn behalve gedigitaliseerde boeken en tijdschriften ook ruim 11 miljoen krantenpagina’s uit de periode 1618-1995 te doorzoeken. Het is een fractie van wat er in die periode gepubliceerd is en de collectie groeit nog steeds, maar het is toch al een enorme massa. Zo enorm, dat je mag verwachten dat je zelfs over een kleine groep als trans mensen nog redelijk veel artikelen zal vinden. Dat lijkt misschien niet zo opwindend, maar die krantenartikelen geven juist door hun tijdgebondenheid een indruk van hoe er over transgender mensen werd gedacht. Je kunt ook proberen na te gaan of dat denken is veranderd in de loop van de tijd. Is de pers respectvoller over ons gaan schrijven? Worden trans mensen zelf ook aan het woord gelaten? En zo ja, wat zeggen trans mensen dan eigenlijk over zichzelf in die historische kranten?

Voor mensen die onderzoek willen doen naar de geschiedenis van transgender mensen heeft deze bron ook wel beperkingen. Kranten zijn nieuwsbronnen en melden dus vooral uitzonderlijke feiten. Ze bevatten dus weinig informatie over het alledaagse leven van trans mensen. Verder vind je in de kranten van deze periode maar een klein deel van de transgender gemeenschap terug, namelijk de transseksuele mensen. Het besef dat er meer genderdiversiteit bestaat dan de hokjes transseksueel m/v en cisseksueel m/v begint eigenlijk de laatste jaren pas een beetje door te dringen. Het bredere begrip “transgender”, dat zelf ook een interessante geschiedenis heeft, wordt in het Nederlands pas in de eenentwintigste eeuw gangbaar en vind je daarom in de kranten op Delpher niet terug.

Ondanks deze kanttekeningen is het toch heel boeiend om door die kranten te bladeren en te zien hoe er in de twintigste eeuw over dit onderwerp geschreven werd. Bovendien kun je zo af en toe een glimp opvangen van de trans pioniers en hun strijd om toegang tot zorg en om simpelweg als mens behandeld te worden.

Trans avant la lettre

Vóór de jaren zestig bestaat er geen apart woord om trans mensen aan te duiden. Toch werd er wel over deze groep geschreven, maar het is duidelijk dat men dacht met een heel zeldzaam en eigenlijk bizar fenomeen te maken te hebben, waarover je geen serieus artikel kon schrijven. Alleen vooruitstrevende artsen als Magnus Hirschfeld hielden vol dat onze soort veel meer gender- en seksuele variatie kent dan de maatschappij wilde accepteren. Het was dan ook een patiënte van Hirschfeld die in de jaren twintig als eerste geslachtsbevestigende chirurgische ingrepen onderging, niet de beroemde Lili Elbe, zoals vaak gedacht wordt, maar Dora (ook wel “Dörchen”) Richter. Over haar leven zou je een film kunnen maken die niet minder dramatisch zou zijn dan The Danish Girl. Helaas vind je in de kranten over Dora niets terug. Waarschijnlijk trok haar fysieke transitie minder aandacht omdat ze al heel lang zo veel mogelijk als vrouw leefde.

Voor een andere patiënte van Magnus Hirschfeld, de al genoemde Deense Lili Elbe, was ondertussen wel veel aandacht in de Europese kranten. Zij was voor haar transitie al bekend als schilder, dus het was onvermijdelijk dat de pers over haar zou schrijven. Toch kan ik  over haar in de Delpher-kranten slechts twee berichtjes vinden, naar aanleiding van haar overlijden op 13 september 1931, die ook nog op hetzelfde persbericht zijn gebaseerd. In beide berichtjes wordt wel gemeld dat over haar operatie, een jaar eerder, “in de bladen” was geschreven, maar kennelijk in publicaties die (nog) niet gedigitaliseerd zijn. Wat haar dood betreft, houdt Het Vaderland het bij een paar droge mededelingen, maar in het tweede berichtje, in de Bredasche Courant, wordt nog de hatelijke observatie toegevoegd dat haar biografie ongetwijfeld stof zal bevatten voor “een nieuwen perversen roman”. Het is ook veelzeggend dat dit bericht in de rubriek “Gemengd nieuws” is geplaatst, waarin je gewoonlijk kan lezen over onwaarschijnlijke en buitenissige onderwerpen als “kinderen met röntgenogen”. Begrip voor trans personen is hier nog ver te zoeken.

Na Lili Elbe is het in de Nederlandse kranten lang stil rond trans mensen, hoewel er in de buitenlandse pers in de jaren dertig tientallen gevallen van “sex change” gemeld worden, waaronder ook mensen die we nu trans mannen zouden noemen. Het is pas met de druk becommentarieerde transitie van de Amerikaanse Christine Jorgensen dat de Nederlandse pers weer aandacht besteedt aan een trans persoon. Jorgensen was begin jaren vijftig na een familiebezoek in Denemarken blijven hangen, omdat ze in de VS niet de zorg vond die ze nodig had. Terwijl ze in Kopenhagen hormonen kreeg en verschillende ingrepen onderging, verschenen in de VS de meest sensationalistische artikelen over haar. The New York Daily News kopte bijvoorbeeld op 1 december 1952 met “Ex-GI becomes blonde beauty”.

Ook de Nederlandse kranten schreven over Jorgensen. De Java Bode van 8 december 1952 heeft een foto van voor en één van na haar transitie met een onderschrift waarin het ook weer gaat over “een knappe blondine”. Een paar dagen later schrijft De Vrije Pers over het eerste openbare optreden van Jorgensen: “Hierbij bracht zij de journalisten in verrukking door haar schoonheid.” Meer werd in de jaren vijftig van een vrouw ook niet verwacht. De parallel met de publieke optredens van Marilyn Monroe, die in dezelfde tijd bekend werd en even oud was als Jorgensen, is opvallend. Beide vrouwen wisten de journalisten moeiteloos om hun vingers te winden met hun charmes. Het was duidelijk dat de tweede feministische golf nog niet was aangebroken (De tweede sekse was al wel verschenen maar nog niet vertaald). Deze vrouwen konden slechts proberen om de beperkte ruimte die hun als vrouw in de jaren vijftig geboden werd maximaal te benutten.

christine-jorgensen
Christine Jorgensen rond 1980

Er zijn meer kritische opmerkingen te maken over de pers in deze periode. In vrijwel alle artikelen over Jorgensen wordt ze aangeduid met mannelijke voornaamwoorden als het over de periode voor de transitie gaat en met vrouwelijke voornaamwoorden erna. Ik vind het pijnlijk om te lezen, zeker als je tussen de regels door leest dat ze zelf haar geschiedenis anders zag. In het eerder genoemde artikel in The New York Daily News zei ze bijvoorbeeld: “I was working toward the release of myself from a life I knew would always be foreign to me.” Trans vrouwen willen doorgaans niet vrouw worden, hun probleem is juist dat ze vrouw zijn. Zelfs nog in 1970 heeft De Telegraaf het in een interview met Jorgensen over “Christine Jorgensen, alias [oude voornaam] Jorgensen jr., zoon van een bouwer uit New York”.

Wat me verder opvalt is dat je bekende trans vrouwen als Jacqueline Dufresnoy, Marie-Pierre Pruvot en April Ashley, die ook al in de jaren vijftig in transitie gingen, kort na Jorgensen, niet terugvindt in de Nederlandse kranten. Zij waren patiëntes van de beroemde Franse gynaecoloog Georges Burou, die een kliniek had in Casablanca. (Over Burou heb ik trouwens wel één groot artikel uit 1974 kunnen vinden.) Het contrast met de uitgebreide aandacht voor Jorgensen is groot. Misschien speelde hier mee dat deze vrouwen, die optraden in Parijse cabarets als Le Carrousel de Paris, als marginaal en minderwaardig gezien werden. Dat iemand als Christine Jorgensen, met een meer burgerlijke achtergrond, ook transseksueel kon zijn, was veel vermeldenswaardiger.

De persaandacht voor Jorgensen had ondertussen wel gevolgen. Er ontstond voor het eerst in bredere kring een vermoeden dat er misschien wel veel meer mensen waren als Christine Jorgensen. Dat vermoeden riep ook transfobie in het leven. De eerste opiniemakers die op een vijandige toon over trans vrouwen schrijven, vind je in deze periode. Op 19 maart 1954 kunnen we bijvoorbeeld in een artikel in De Nieuwsgier het volgende lezen over Christine Jorgensen en twee andere trans vrouwen: “Maar behalve die afkeer voor deze goedkope sensatie om drie in feite beklagenswaardige wezens, moet bij elke vrouw die er trots en blij om is als Vrouw geboren te zijn, toch ook nog bezorgdheid bij zijn gekomen.” De bezorgdheid geldt dan de dreigende teloorgang van “echte vrouwelijkheid”, die natuurlijk aan cis vrouwen voorbehouden is. Hier wordt het tegendeel betoogd van wat transfobe radicale feministes sinds de jaren zeventig over vrouwelijkheid schrijven, maar toch is er een diepe affiniteit tussen dit sexe-essentialisme uit de jaren vijftig en die latere zogenaamde TERF’s.

Ondertussen werden niet alleen cis mensen zich bewust van het bestaan van trans mensen, trans mensen begonnen zich ook voor het eerst bewust te worden van zichzelf. De publiciteit rond Christine Jorgensen wekte bij veel trans vrouwen het besef dat ze niet de enige waren, en Jorgensen gaf hun ongetwijfeld hoop, de hoop dat ook zij ooit als zichzelf zouden kunnen leven, niet meer op voet van oorlog met hun lichaam. Het is dus niet verwonderlijk dat we in 1953 in een artikel in De Locomotief lezen dat er “in Denemarken meer dan honderd aanvragen zijn binnengekomen van personen, die eveneens hun sexe wilden laten ‘corrigeren’.” Helaas meldt het artikel ook dat deze aanvragen allemaal waren afgewezen. Het geval van Christine Jorgensen zou het eerste en laatste zijn dat het Deense ministerie van Justitie door de vingers wilde zien. Een paar jaar later wordt gemeld dat het aantal aanvragen was opgelopen tot 1200 en dat de Deense regering met de handen in het haar zat. En kennelijk begonnen mensen in die tijd ook uit te wijken naar Nederland, waar de Amerikaanse Tamara Rees in 1954 geopereerd werd. Mij is verder niet bekend waar ze geopereerd is en door wie. De Nederlandse kranten hebben dit bericht overgenomen en er verder geen eigen onderzoek naar gedaan. Hoe dan ook begonnen trans vrouwen vanaf nu heel langzaamaan de weg te vinden naar transgenderzorg.

De ontdekking van transseksualiteit

Hoewel in de kranten al lang voor de Tweede Wereldoorlog over transseksuele mensen bericht wordt en je in het kielzog van Christine Jorgensen ook de nodige trans mensen voorbij ziet komen, komt de term “transseksueel” pas voor het eerst voor in een artikel in Het Vrije Volk van 22 mei 1969. De aanhalingstekens in de kop van het artikel zeggen al veel over wat men van transseksualiteit vond: “Artsen, die van man een ‘vrouw’ maakten, voor de rechter”. De toon is ook nogal vijandig en het latere transfobe cliché dat trans vrouwen eigenlijk homoseksuele mannen zijn die aan een waanvoorstelling lijden, schemert duidelijk door de tekst heen. Het artikel gaat over de transseksuele vrouw Peggy Wijnen, die een paar jaar eerder kort na een vaginaplastiek was overleden aan een longembolie. De drie betrokken medici werden vervolgens aangeklaagd wegens – vrij vertaald – mishandeling. In verschillende kranten is het verdere verloop van de zaak te volgen en op 29 september van hetzelfde jaar lezen we in zowel het Limburgs Dagblad als Het Vrije Volk dat de artsen werden vrijgesproken. Deze rechtszaak (de zaak Wijnen) was een mijlpaal in de Belgische jurisprudentie: vanaf nu was de medische behandeling van genderdysforie juridisch niet meer omstreden. Het lijkt ook de eerste keer te zijn geweest dat het onderwerp transseksualiteit niet belandde tussen de faits divers, maar (nog een beetje onwennig) behandeld werd als een serieus medisch probleem.

Na deze zaak lijkt het hek van de dam. In de jaren zeventig vind je veel artikelen over transseksualiteit en hoewel ze nog steeds niet consequent de juiste voornaamwoorden gebruiken, lijkt de benadering wel respectvoller te worden. Je komt ook voor het eerst trans mannen tegen. Zo verschijnt in De Telegraaf van 17 februari 1973 een uitgebreid verhaal van  Conny Sluysmans over de negenjarige trans jongen Egon, waarin duidelijk wordt hoeveel moeite het hem kost om als jongen geaccepteerd te worden, maar ook hoe onvoorwaardelijk zijn moeder hem steunt. Een later artikel in De Telegraaf, van dezelfde auteur, beschrijft de lotgevallen van de trans man Rik. Het stuk, dat eigenlijk een boekbespreking is, gaat voor een groot deel over problemen bij het vinden van goede zorg en eindigt met een pleidooi voor een menselijke transgenderzorg.

Dat ik me soms gevangen voel heeft meer met (cis)seksisme in de samenleving te maken dan met een verkeerd lichaam waarin ik opgesloten zou zitten

Dit laatste artikel is ook interessant omdat het de eerste keer in die historische kranten is dat de later zo populaire uitdrukking “verkeerd lichaam” voorkomt. Deze metafoor om de ervaring van transseksualiteit te beschrijven is al veel ouder, maar is door toedoen van Christine Jorgensen en haar arts, de endocrinoloog en seksuoloog Harry Benjamin, gangbaar geworden en vanaf de jaren zestig zelfs tot de clichés over trans mensen gaan behoren. Lang niet alle trans personen zijn gelukkig met deze uitdrukking. Dat ik me soms gevangen voel heeft meer met (cis)seksisme in de samenleving te maken dan met een verkeerd lichaam waarin ik opgesloten zou zitten, wat niet wil zeggen dat ik nooit moeite heb met mijn lichaam. De volledige uitdrukking “geboren in het verkeerde lichaam” komt trouwens voor het eerst een jaar later voor in een artikel in De Telegraaf van 13 april 1974. Het gaat om een fragment uit het boek Conundrum van de beroemde Britse trans vrouw en journaliste Jan Morris.

Nog het vermelden waard uit de kranten van deze tijd is dat je soms de term “detransseksualisatie” tegenkomt waar we nu “transitie” gebruiken. Het woord impliceert dat je na de transitie niet meer transseksueel bent, je bent immers “gedetransseksualiseerd”. Ik vind het een mooi woord, omdat het, heel optimistisch, suggereert dat transseksualiteit een oplosbaar probleem is dat eerder lichamelijk dan psychologisch van aard is. Na je transitie ben je “gewoon een man” of “gewoon een vrouw”. Natuurlijk ligt het lang niet voor alle trans personen zo simpel, maar het is een term die getuigt van respect voor de ervaring van transseksuele mannen en vrouwen.

Trans rechten en bevrijding

Vanaf de jaren zeventig ontstaat er ook aandacht voor de rechten van trans mensen. Onder invloed van het feminisme en de golf van linkse bewegingen vanaf de late jaren zestig ontstaat meer ruimte voor onderdrukte groepen. Ook trans mensen zelf beginnen – zij het nog heel individueel – meer rechten op te eisen. We lezen bijvoorbeeld over twee processen bij het Europese Hof voor de Mensenrechten: een zaak van een Britse trans vrouw die met een cis man wil kunnen trouwen en een proces van een Belgische trans man die juridisch als man erkend wil worden. Er is ook het bericht over een Nederlandse trans vrouw die na haar transitie gediscrimineerd wordt op het werk en na een lang slepend conflict op last van de kantonrechter een schadevergoeding van dertigduizend gulden krijgt.

Verder melden de kranten op 12 februari 1981 dat er een wetsontwerp naar de Raad van State is gestuurd dat voor trans personen een juridische geslachtswijziging mogelijk zal maken. Er wordt bij vermeld dat zo’n wijziging voor gehuwde mensen onmogelijk blijft, omdat anders het homohuwelijk een feit zou zijn. “Zover is het kabinet niet gegaan.” Er was al eerder met succes geprocedeerd om de voornamen en het geslacht op de geboorteakte aan te laten passen, maar in 1975 had de Hoge Raad een streep door deze jurisprudentie gehaald. Het zou nog tot 1 juli 2014 duren voordat de juridische geslachtswijziging in Nederland zonder beperkingen (zoals de sterilisatie-eis) mogelijk werd.

er is geen aandacht voor de structurele problemen van werkloosheid en discriminatie

Dat veel trans mensen sociaal in de verdrukking zaten (en zitten) wordt uit de kranten, althans uit de nieuwsberichten, niet echt duidelijk. Je vindt her en der wel hints over het isolement waarin trans mensen soms terechtkomen, maar er is geen aandacht voor de structurele problemen van werkloosheid en discriminatie. Wat ook onbelicht blijft is dat trans mensen tot in de jaren zeventig (en in grote delen van de wereld ook nu nog) onder het mom van “therapie” slachtoffer konden worden van zware mishandeling. De brute conversietherapieën die op homo- en biseksuele mensen werden (en worden) toegepast, werden ook niet zelden op trans personen uitgeprobeerd. Je vindt daarover niets in de pers. Toch is er uit de kranten indirect wel iets over die benarde positie van trans mensen af te leiden. Als je bijvoorbeeld zoekt op “transsexueel” vind je meer dan vijfduizend advertenties, vrijwel allemaal van prostituees. Ook de zoekresultaten voor de meer gangbare term “transseksueel” bestaan nog voor een derde uit advertenties. Dat je zo veel trans personen in de prostitutie vindt, zegt veel over de sociale problemen van de groep.

Gelukkig beginnen trans mensen vanaf de jaren zeventig ook zelf hun stem te laten horen en te wijzen op de onderdrukking die zij dagelijks ervaren. Ook in de kranten, in ingezonden brieven en opiniestukken, komen ze zelf aan het woord. Zo verscheen op 4 mei 1981 een ingezonden brief in De Waarheid, waarin de redactie ervan langs krijgt omdat er nauwelijks (serieuze) aandacht is voor “transseksuelen” in die krant. De schrijfster zet daartegenover de uitgebreide aandacht die andere media aan deze groep besteden. Ze wijst op het onbegrip en de discriminatie die trans mensen ervaren en op het feit dat trans mensen tweederangs burger zijn geworden nadat het niet meer mogelijk was om het geslacht op de geboorteakte aan te passen: een trans vrouw kon bijvoorbeeld niet met een (cis) man trouwen. Ze sluit haar brief af met de observatie dat trans mensen bondgenoten zijn van alle minderheidsgroepen (vrouwen, homo’s) die allen te lijden hebben onder discriminatie in deze “patriarchale-hetero-burgerlijke” maatschappij. Zo plaatst ze het lot van trans mensen op de valreep in een breder links bevrijdingsperspectief, dat ik zelf wel eens mis bij huidige trans activisten. De schrijfster van de brief, Betty Paërl, was een wiskundige die later bekend werd als voorvechtster van seksuele vrijheid en publiceerde onder meer in het lesbisch erotische blad Slechte Meiden. In de kranten vind je nog een lezenswaardig interview met haar uit 1987.

dirkje_kuik
Dirkje Kuik

Een ander voorbeeld van een trans persoon die zich laat horen in de krant is de Utrechtse kunstenares Dirkje Kuik. In 1979 was het meest transfobe boek uit de geschiedenis verschenen, The Transsexual Empire, van Janice Raymond. Transseksualiteit was volgens Raymond een samenzwering van de patriarchale medische wetenschap tegen vrouwen en tegen het feminisme. Afgezien van de paranoia viel het boek op door de stuitende manier waarop over trans vrouwen gesproken werd. Dirkje Kuik schreef naar aanleiding van dit haatzaaiende pamflet, dat kennelijk ook in de Nederlandse pers aandacht had gekregen, een lang essay in NRC Handelsblad, waarin ze ook over haar eigen transitie schrijft en over transseksualiteit in het algemeen. Ze schrijft met bewonderenswaardige kalmte en luchtigheid over het boek, hoewel ze niet mild is in haar oordeel. Ze gaat ook in op de kritiek van Raymond op de gendertheorieën van John Money, met wie Kuik het zelf ook niet helemaal eens is. Ze wijst op gemene propagandatrucs in de argumentatie van Raymond: gruwelijke dingen insinueren en die later half terugnemen, zoals de bewering (leugen) dat de technieken voor geslachtsbevestigende operaties ontwikkeld zouden zijn in de naziconcentratiekampen. Tot slot wijst Kuik erop dat medici helemaal niet zo enthousiast waren om transseksuele mensen te helpen, dus hoezo samenzwering? Trans mensen moesten hemel en aarde bewegen om toegang te krijgen tot hormonen en operaties. Ze eindigt haar bespreking van Raymond met de verzekering dat trans vrouwen onderling niet minder verschillend zijn dan cis vrouwen en houdt er dan abrupt mee op, alsof opeens haar geduld op is: “Er zijn intellectuele typen onder, zeer gevoelsmatige, trutten en haaien, ik dank u feestelijk, mevrouw Raymond, hier laat ik het bij, ik houd u voor gelezen.”

Als je de bijdragen van deze mondige trans mensen vergelijkt met de artikelen over Lili Elbe en zelfs nog Christine Jorgensen, dan zie je dat er veel veranderd is in de schrijvende pers. We waren nu niet langer freaks die zo uit “een perversen roman” waren weggelopen, maar echte mensen, die je ook gewoon aan het woord kon laten zonder dat er ongelukken gebeurden. Die veranderde houding van de pers hangt natuurlijk samen met veranderingen in de samenleving, met de beginnende emancipatie van trans mensen en de emancipatie van vrouwen, homo’s en andere minderheden. Toch is het nog altijd niet vanzelfsprekend om respectvol over trans mensen te schrijven, zoals De Volkskrant een paar jaar geleden nog aantoonde. Het is daarom goed dat Transgender Netwerk Nederland een mediawijzer heeft opgesteld waarin wordt uitgelegd hoe je over transgender personen bericht zonder hen te kwetsen. Ook dat is een teken van emancipatie: het zijn nu trans mensen die bepalen hoe zij door de pers behandeld willen worden. Correcte mediarepresentatie is niet een doel op zich, maar het is een essentiële stap in het emancipatieproces van trans personen, dat nog in volle gang is.

Ook gepubliceerd op Why So Feminist

Meer lezen

Meer teksten op deze website