Over essentialisme

door Hanna

Toen ik een veertien jaar oud trans meisje was, in een tijd waarin trans mensen alleen konden overleven door onzichtbaar te zijn, hoorde ik voor het eerst op school, tijdens Frans, over Simone de Beauvoir. Ze was nog niet zo lang dood en dus nog een tijdgenote, niet iemand uit een grijs verleden. Die eerste kennismaking met haar ideeën was schokkend en bevrijdend. Hoe vrouwen vandaag waren – hoe ze zich gedroegen, hoe ze eruitzagen, waar ze goed en slecht in waren, welke ambities ze hadden – was niet “natuurlijk”, maar het gevolg van dwingende sociale normen waaraan ze zich aanpasten: je wordt niet als vrouw geboren, je wordt vrouw. Ik vond het een radicaal en aanvankelijk ook heel vreemd idee, maar het was een idee dat me iets vrijer liet ademhalen en dat ik daarom enthousiast omarmde. Ik haatte mijn lichaam niet minder, maar de categorieën “man” en “vrouw” hadden iets minder gewicht voor me. Vrouwen waren niet wezenlijk anders dan mannen en het “eeuwig vrouwelijke”, dat vrouwen eens en voor altijd definieerde en gevangen hield in een “vrouwelijke sfeer” met “vrouwelijke bezigheden”, bestond niet. Zo werd ik feministe.

De meeste feministes van na Beauvoir hebben dit anti-essentialistisme omarmd. Zij wezen erop dat voor ieder kenmerk dat mensen vaak als wezenlijk vrouwelijk opvoeren, zoals genitaliën of seksechromosomen, tegenvoorbeelden te vinden zijn: mensen die door zichzelf en anderen als vrouw gezien worden en desondanks die eigenschap niet hebben. Natuurlijk kunnen we over vrouwen statistische uitspraken doen zoals “De meeste vrouwen hebben een vagina.” Die statistische uitspraken klinken mee op de achtergrond als we het woord “vrouw” gebruiken. Maar er bestaat geen vrouw voor wie de hele verzameling van dergelijke statistische uitspraken opgaat. Wat alle vrouwen met elkaar gemeen hebben is slechts dat ze “vrouw” genoemd worden.

Dit lijkt een heel mager idee van vrouwelijkheid, maar iets dergelijks geldt voor alle begrippen uit de dagelijkse taal. De filosoof Ludwig Wittgenstein kwam in zijn latere jaren tot een subtiele maar eenvoudige theorie van betekenis die neerkomt op de slogan: betekenis is gebruik. Wat een woord betekent is niet in een definitie te vatten, omdat er niks wezenlijks met dat woord correspondeert; je kunt slechts analyseren hoe het woord in een gegeven situatie wordt gebruikt. Zelfs alledaagse simpele concepten (“stoel”, “tafel”) blijken onduidelijke grenzen te hebben als je erover gaat nadenken. Alle begrippen zijn dus vaag, maar ook rijk en subtiel, omdat ze hun specifieke kleur krijgen door de veranderlijke en ingewikkelde contexten waarbinnen ze gebruikt worden.

Het begrip “vrouw” is voor een anti-essentialististe niet leeg of karig

Het begrip “vrouw” is voor een anti-essentialististe dus niet leeg of karig, integendeel, maar wel ongrijpbaar. Die ongrijpbaarheid hoeft echter geen probleem te zijn. We kunnen namelijk observeren dat alle mensen die “vrouw” genoemd worden in alle patriarchale samenlevingen een onderdrukte klasse vormen. We kunnen de normen waaraan vrouwen zich moeten conformeren en de mechanismen die vrouwen ondergeschikt maken blootleggen en bestrijden. Een feministische politiek heeft dus genoeg aan een provisorisch en inclusief begrip “vrouw” en heeft geen (strategisch) essentialisme nodig om zich te organiseren. Sterker nog, een feminisme dat het begrip “vrouw” zou beperken tot mensen met een of ander “wezenlijk vrouwelijk” kenmerk zou zelfs arbitrair en onrechtvaardig zijn. Het patriarchaat neemt het ook niet zo nauw.

Queer anti-essentialisme

Toch is het niet verwonderlijk dat het feministische anti-essentialisme soms verward wordt met het uithollen van begrippen als “vrouw” en “man”. In de jaren negentig kwam er met de queerbeweging ook een postmodern feminisme op dat gender als performance zag. Een vrouw was slechts iemand die vrouwelijkheid speelde.

Hoewel ik nog altijd een anti-essentialistische feministe was, kreeg ik het gevoel dat hier iets wrong. Omdat ik in de (transseksuele) kast zat, viel er voor mij niet veel te performen, dus mijn vrouwelijkheid was kennelijk niet te reduceren tot een performance. En de tegenwerping dat het bij mij om sekse ging en niet om gender, vooronderstelt dat sekse en gender duidelijk gescheiden kunnen worden, wat ik betwist. Ik kreeg de indruk dat de oudere theorie van de sociale constructie van gender hier ontaard was in de gemakzuchtige gedachte dat gender niets is dan een handvol conventies die je al dan niet aan je laars kunt lappen. In dit verhaal is voor trans mensen geen plaats.

Nu heeft de queerbeweging veel bijgedragen aan de emancipatie van trans mensen. Door gendernonconform gedrag en uiterlijk te verdedigen en aan te moedigen ontstond meer ruimte voor trans mensen om in transitie te gaan, en queer subculturen zijn overal ter wereld vluchthavens geweest voor trans jongeren die het anders niet zouden hebben gered. Desondanks hebben die queer noties van gender geen gunstige invloed gehad op hoe trans mensen zichzelf zagen. Veel mensen zaten lang in de kast omdat ze hun eigen transseksualiteit niet serieus konden nemen. Trans vrouwen kregen te horen dat ze niet radicaal genoeg waren, omdat ze te vrouwelijk waren. Anderen ontwikkelden om hun transitie te rechtvaardigen tegenover deze theorieën juist essentialistische ideeën over mannelijkheid en vrouwelijkheid, en liepen met een grote boog om het feminisme heen.

De filosofe die vaak geassocieerd wordt met de theorie van gender als performance en met de queerbeweging in het algemeen is Judith Butler. Zij heeft echter in de laatste jaren in verschillende interviews afstand genomen van die al te simpele theorie, die je trouwens ook niet zonder bochten af te snijden uit haar poststructuralistische proza kunt afleiden. Ze heeft ook toegegeven dat trans mensen uitgesloten worden door bepaalde vormen van queer politiek en dat die politiek inclusiever zou moeten worden. In een interview (1) met de feministe Sara Ahmed uit 2016 zegt ze daarover: “If ‘queer’ means that we are generally people whose gender and sexuality is ‘unfixed’ then what room is there in a queer movement for those who understand themselves as requiring – and wanting – a clear gender category within a binary frame? Or what room is there for people who require a gender designation that is more or less unequivocal in order to function well and to be relieved of certain forms of social ostracism?” Hopelijk weerspiegelt deze kritiek van Butler een algemenere tendens in de queerbeweging.

Essentialistisch radicaal feminisme?

Toen ik zelf in transitie ging, deed het essentialisme zich opnieuw gelden in mijn leven alsof De Tweede Sekse nooit geschreven was. Veel trans mensen die ik leerde kennen bleken precies te weten wat wel en wat niet “echt” vrouwelijk was. Bovendien werd ik door mijn sociale transitie voortdurend geconfronteerd met gendernormen die voor cis mensen zo vanzelfsprekend waren dat ze onzichtbaar waren geworden (normen voor beweging, houding, spraak, woordkeuze et cetera). Het is verleidelijk om verschillen tussen de genders toe te schrijven aan iets essentieels als je blind bent voor de talloze subtiele manieren waarop socialisatie die verschillen produceert. Ik begon beter te begrijpen waar het alledaagse impliciete essentialisme vandaan kwam.

In dezelfde periode begon de trans emancipatiegolf waar we nu nog steeds middenin lijken te zitten. Deze golf bracht ook een oudere stroming binnen het feminisme naar de voorgrond die in de erkenning van trans vrouwen als vrouwen een antifeministisch project ziet. Deze feministes, die tegenwoordig “trans-exclusionary radical feminists” of “TERF’s” genoemd worden, waren van meet af aan essentialistisch: door je geboorte en alleen door je geboorte behoor je tot de vrouwen, die dus geen sekseklasse, maar een seksekaste vormen. In de jaren zeventig golden enkele van deze TERF’s als gerespecteerde feministes, zoals Mary Daly, die in haar beroemde boek Gyn/Ecology (1978) trans vrouwen vergeleek met het monster van Frankenstein. Veel TERF’s uit de tweede golf hebben succesvolle academische carrières achter de rug en hebben tot op de dag van vandaag status en invloed die ze gebruiken om trans mensen aan te vallen: vrouwen als Germaine Greer, Janice Raymond en Sheila Jeffreys.

Hoe is dit essentialistische paard van Troje in de feministische beweging terechtgekomen?

Hoe is dit essentialistische paard van Troje in de feministische beweging terechtgekomen? Het radicale feminisme is anti-essentialistisch, maar het vecht tegen een vorm van onderdrukking die heel oud, heel taai en deels heel subtiel is en waarbij bovendien mannen de onderdrukkers zijn en vrouwen de onderdrukten. Dit is geen academische kwestie. Talloze radicale feministes zijn, zoals zo veel vrouwen, slachtoffer van seksueel geweld en seksuele uitbuiting door mannen en voelen een vanzelfsprekende solidariteit met andere slachtoffers van patriarchale onderdrukking. Onder de druk van deze opeengestapelde trauma’s en het zwart-witdenken dat daarbij hoort, kunnen de categorieën “man” en “vrouw” ongemerkt “geëssentialiseerd” raken: het is begrijpelijk dat we zoeken naar goed afgebakende groepen waar we de labels “slachtoffer” en “dader” op kunnen plakken.

Het is dan ook geen toeval dat je veel TERF’s aantreft onder feministes die zich met de strijd tegen prostitutie bezighouden. Deze vrouwen worden keer op keer geconfronteerd met de verschrikkelijkste vormen van seksuele uitbuiting. Is het dan zo vreemd dat voor sommigen het geboren zijn met een penis langzaamaan hetzelfde is gaan betekenen als behoren tot de onderdrukkers? In artikelen van TERF’s is het woord “penis” (samen met zijn minder nette synoniemen) doorgaans oververtegenwoordigd. TERF’s zijn geobsedeerd door genitaliën. De genitaliën waarmee je geboren bent bepalen tot welke seksekaste je behoort en welke onderdrukking je in je leven ervaart. De gedachte dat je van kaste zou kunnen veranderen trivialiseert volgens hen het seksuele geweld dat (cis!) vrouwen onder het patriarchaat ervaren. De hatelijke opmerkingen van TERF’s over neo-vagina’s zijn dan ook niet alleen maar getreiter, maar komen direct voort uit hun angsten over het vervagen van de kastegrenzen.

Ondanks dit genitaal essentialisme hangen TERF’s doorgaans wel de theorie van de sociale constructie van gender aan, maar dit doet geen afbreuk aan hun essentialisme. Ten eerste geloven ze in een strikte scheiding tussen de begrippen sekse en gender, waarbij sekse aan de ene kant de “objectieve”, “preculturele” kern is waar alles om draait en waarbij gender aan de andere kant niets is dan een onderdrukkende verzameling patriarchale conventies. Bovendien hoor je TERF’s ook nogal eens beweren dat het onmogelijk is om aan je “socialisatie als man of vrouw” te ontsnappen, waarmee zelfs hun notie van een sociaal geconstrueerd gender wordt geëssentialiseerd.

Ik beschouw TERF’s voor het feminisme als verloren. Sommige TERF’s doen goed werk in hun strijd tegen seksuele uitbuiting, maar het uitsluiten van trans vrouwen omdat ze iets “essentieel vrouwelijks” missen of omdat in transitie gaan neerkomt op “het verkrachten van vrouwenlichamen” (Janice Raymond), staat op gespannen voet met ieder feministisch bevrijdingsperspectief, dat niet anders dan anti-essentialistisch en inclusief kan zijn. Laten we tot slot ook niet vergeten dat TERF’s door hun “activisme” en soms zelfs door direct fysiek geweld het bloed van trans vrouwen en trans mannen aan hun handen hebben.

Transseksualiteit

Trans mensen wordt soms (ironisch genoeg ook door TERF’s) verweten dat ze essentialistisch zijn. In zijn algemeenheid is dit verwijt onterecht. Sommige trans mensen doen inderdaad essentialistische uitspraken over vrouwen en mannen als ze over hun ervaring van transseksualiteit spreken. De meeste cis mensen kunnen ook dagelijks op essentialistische opvattingen betrapt worden (bijvoorbeeld wanneer ze zeggen dat trans vrouwen “biologisch man” zijn). Maar essentialisme is niet inherent aan transseksualiteit. Ik heb geen essentialistische notie van vrouwelijkheid nodig om mijn transitie te rechtvaardigen. Mijn enige rechtvaardiging is de evidentie dat ik een vrouw ben en de ondraaglijkheid van mijn lichaam toen het nog ondubbelzinnig binnen mannelijke normen viel. Het woord “vrouw” gebruik ik hier op een zorgeloze, niet-essentialistische manier; ik hoef net zo min als een cis vrouw uit te leggen wat ik met het woord “vrouw” bedoel. Het begrip is aan alle kanten open en bindt me niet aan patriarchale normen.

Waarom denken veel mensen dan dat trans mensen essentialistisch zijn? Die gedachte lijkt het gevolg van een denkfout die zelf ook weer op essentialisme berust. De redenering gaat ongeveer zo: als er niets wezenlijks en onveranderlijks correspondeert met het begrip “vrouw”, dan heeft het geen zin om in transitie te gaan, want het “doelgeslacht” van je transitie bestaat niet; dus een transitie is een essentialistisch project. De denkfout die hier gemaakt wordt is hierboven al aangestipt: de gedachte dat de begrippen “vrouw” en “man” leeg zijn als je ze op een niet-essentialistische manier gebruikt. We hebben de (essentialistische) neiging om te denken dat een categorie die niet stabiel en vastomlijnd is onbruikbaar is, dat begrippen die niet met wiskundige scherpte gedefinieerd kunnen worden onzinnig zijn. We kunnen ons daardoor niet voorstellen dat een transitie zinnig, laat staan noodzakelijk, zou kunnen zijn. Transseksualiteit moet in deze zwart-witte en overzichtelijke voorstellingswereld wel op een waandenkbeeld lijken te berusten.

Essentialisme is een kinderlijke manier om naar de dingen te kijken. Het beantwoordt aan een behoefte om structuur aan te brengen in een veranderlijke en ongrijpbare wereld. Hoewel deze behoefte begrijpelijk is, is essentialisme niet onschuldig. Het is de basis van seksisme en transfobie en het lijkt een rol te spelen in veel andere vormen van haat en onderdrukking. Ik blijf dan ook steeds weer terugkeren tot het anti-essentialistische feminisme dat ik op mijn veertiende leerde kennen. Dat anti-essentialisme is tenslotte ook niet alleen negatief. Het idee van een onbeheersbare veelheid en diversiteit van vrouwen die iedere “wezenlijke” bepaling van zichzelf afwijzen, geeft me nog steeds hoop dat een andere wereld mogelijk is.

Noot

  1. Sara Ahmed, “Interview with Judith Butler”, Sexualities, deel 19, aflevering 4, 2016, 482-492. De tekst is eventueel te downloaden door de link in het Sci-Hub-zoekveld te plakken. Dit is niet legaal en ik moedig het natuurlijk niet aan. (Maar Alexandra Elbakyan is wel een heldin.)

Deze tekst verscheen oorspronkelijk op Why So Feminist?